gewone dagelijkse dingen in letters

Alhoewel het al eind september is, is de hemel strakblauw, de temperatuur zeer aangenaam en er is geen spatje wind voelbaar. Weer dus om een flinke fietstocht te maken langs de Lek richting Schoonhoven en via de ruilverkaveling weer terug.

Het is midden op de dag, de Lekdijk is schitterend, de zon schittert op het water van de rivier, en auto’s lijken allemaal ergens anders te rijden.

Dit is echt genieten. Als ik nu in Nieuwpoort een ijsje zou kunnen scoren, is mijn dag helemaal top. Maar dat viel tegen. De ijscoman was aan het lunchen en bekommerde zich niet om de ijsjes. 

 

In de ruilverkaveling staan heel veel boerderijen en zie je koeien in soorten en kleuren. Jonge koeien (pinken) en volwassen melk- of vleeskoeien.

De landerijen worden gescheiden door een sloot of een wetering, schuttingen of hekwerk zijn niet aan de orde. 

Wat zie ik daar? In de sloot staat een jonge pink, tot zijn nek in het water.

Ik weet dat jonge pinken net pubers zijn. Ze willen alles ontdekken, hebben geen angst voor gevaar en lopen soms pardoes de sloot in. Meestal lukt het hen om er weer uit te klimmen, maar deze drenkeling zag geen kans.

 

Ik fiets naar de dichtstbijzijnde boerderij, waar een paar jonge kerels in de stal aan het werk zijn.

‘Er staat een koe in de sloot, tot haar nek in het water, en kan er niet uit’, roep ik, waarop de knullen mij met grote ogen aankijken, alsof ze het in Keulen horen donderen.

‘Willen jullie even kijken, of je haar eruit kunt halen?’ vraag ik daarna.

‘We zullen bellen naar de eigenaar’, zegt de een, en de ander gaat gewoon door met zijn werk.

Ik fiets terug naar de sloot, het beest doet nog steeds verwoede pogingen om op de kant te komen, maar vergeefs. Hulp van een mede-weilandbewoner zit er niet in, die staat te kijken maar ziet geen oplossing. Na een minuut of tien ga ik terug naar de boerderij.

 

‘Heb je al gebeld?’ vraag ik.

Hij kijkt me verwonderd aan.

‘Nog niet, straks’, is zijn antwoord.

Ik fiets verder het pad van de boerderij op, omdat ik achter de grote stal het geronk van een machine hoor, en inderdaad, daar is de boer bezig.

Hij zet zijn machien uit en kijkt me aan, waarop ik nogmaals mijn verhaal doe.

Op mijn vraag of ie het beest uit de sloot wil halen, hoor ik:

‘Het is lekker weer, ze had ’t misschien warm en is gaan zwemmen.’

Hij ziet aan de verwondering op mijn gezicht, dat ik dit antwoord niet zo begrijp.

‘Wat zou je willen dan?

Môjje ‘n tougie?’

 

Op zijn gezicht verschijnt een glimlach van oor tot oor, hij zet zijn machien weer aan en gaat verder met zijn werk. En ik, ik geef me over aan de gedachte dat hij alles van de koeien veel beter begrijpt dan ik, en dat ik rustig verder kan genieten van mijn fietstocht.